ECLI:NL:CRVB:2020:2042
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-woonachtig op opgegeven adres
Appellant ontving sinds december 2014 bijstand en stond ingeschreven op een uitkeringsadres te [plaatsnaam]. Uit onderzoek naar aanleiding van een melding over verblijf in het buitenland bleek dat appellant in de periode van juni 2016 tot februari 2017 voornamelijk in [woonplaats] verbleef en niet op het uitkeringsadres. Buurtbewoners verklaarden dat het uitkeringsadres niet bewoond werd en alleen incidenteel werd onderhouden.
Het college van burgemeester en wethouders van Veendam trok de bijstand met ingang van 1 januari 2015 in en vorderde de kosten over de periode tot maart 2017 terug wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betwist appellant dat hij niet woonachtig was op het opgegeven adres.
De Raad oordeelt dat het hoofdverblijf van appellant niet op het uitkeringsadres lag, gelet op verklaringen van buurtbewoners, bankafschriften en het ontbreken van feitelijke bewoning. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-woonachtig zijn op het opgegeven adres wordt bevestigd.