ECLI:NL:CRVB:2018:188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herbeoordeling arbeidsongeschiktheid en inkomenseis WIA-uitkering
Appellant is sinds 2004 arbeidsongeschikt vanwege psychische klachten en ontvangt een WIA-uitkering. In 2015 vond een medische en arbeidskundige herbeoordeling plaats, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 48,18%. Het Uwv besloot de loongerelateerde uitkering tot 1 juli 2017 ongewijzigd te laten, waarna de lagere mate van arbeidsongeschiktheid geldt met een inkomenseis.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde onder meer dat de datum in geding onjuist was vastgesteld en dat zijn beperkingen onjuist waren ingeschat. Hij voerde tevens aan dat hij de voorgehouden functies niet kon vervullen en vroeg om benoeming van een deskundige.
De rechtbank wees het beroep af en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, dat de verzekeringsartsen alle relevante informatie hebben betrokken en dat er geen aanwijzingen zijn dat aspecten van de gezondheidstoestand over het hoofd zijn gezien. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog over de datum in geding en de mate van arbeidsongeschiktheid.
De Raad overweegt dat de urenbeperking van 20 uur per week terecht is aangenomen en dat de voorgehouden functies medisch geschikt zijn. Ook is geen reden om een deskundige te benoemen, aangezien de informatie van behandelaars inzichtelijk is meegenomen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.