ECLI:NL:CRVB:2020:1995
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstand wegens verkoop auto-onderdelen als inkomen bevestigd
Appellant ontvangt sinds 1996 bijstand en verkocht gedurende de periode 1 februari 2016 tot en met 31 maart 2017 regelmatig onderdelen van zijn oldtimerauto zonder dit te melden aan het college van burgemeester en wethouders van Maastricht. Na onderzoek door een sociaal rechercheur stelde het college vast dat deze opbrengsten als inkomen moesten worden beschouwd en herzag de bijstand, waarbij het teveel ontvangen bedrag werd teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en in hoger beroep voerde appellant aan dat het ging om vermogen en niet om inkomen, verwijzend naar het Uitvoeringsbesluit waarin een auto tot een bepaalde waarde als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd. De Raad oordeelde echter dat het hier niet om incidentele verkoop van privégoederen ging, maar om regelmatige verkoop van onderdelen, wat meer op handel leek.
De Raad bevestigde dat de opbrengsten terecht als inkomen zijn aangemerkt en dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Limburg bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de opbrengsten uit de verkoop van auto-onderdelen als inkomen zijn aan te merken en de herziening en terugvordering van bijstand terecht zijn.