ECLI:NL:CRVB:2020:1884
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing individuele inkomenstoeslag bij marginale overschrijding bijstandsnorm per maand
Appellante vroeg een individuele inkomenstoeslag aan op grond van de Participatiewet, welke door het college werd afgewezen omdat haar inkomen in enkele maanden binnen de referteperiode boven de toepasselijke bijstandsnorm lag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar veroordeelde het college tot vergoeding van het griffierecht omdat de toelichting op de Verordening niet was verstrekt.
In hoger beroep betoogde appellante dat het inkomen gemiddeld over de gehele referteperiode beoordeeld moest worden, niet per maand. De Raad oordeelde dat het college terecht het inkomen per maand beoordeelde, conform vaste rechtspraak en de systematiek van de Participatiewet en de gemeentelijke Verordening.
Het incidenteel hoger beroep van het college tegen de griffierechtveroordeling slaagde, omdat de Verordening en toelichting officieel bekend waren gemaakt en voldoende kenbaar waren voor appellante. De Raad vernietigde daarom het deel van de uitspraak dat het college tot vergoeding van griffierecht verplichtte en bevestigde de rest van de uitspraak.
Uitkomst: De afwijzing van de individuele inkomenstoeslag wordt bevestigd en het college hoeft het griffierecht niet te vergoeden.