ECLI:NL:CRVB:2020:1776
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verhoging Wajong-uitkering wegens ontbreken geregelde verzorging
Appellant ontvangt sinds 2002 een Wajong-uitkering en een persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding en verzorging. Hij verzocht om verhoging van zijn uitkering op grond van vermeende hulpbehoevendheid bij essentiële levensverrichtingen. Het UWV wees dit af omdat appellant geen geregelde verzorging nodig heeft, slechts geregelde oppassing.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat aanwijzingen voor zelfverzorging als oppassing gelden en niet als verzorging. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het beleid onredelijk onderscheid maakt tussen hulp in de vorm van aanwijzingen en fysieke verzorging, en dat dit discriminerend is volgens het EVRM en IVBPR.
De Raad oordeelt dat het onderscheid objectief gerechtvaardigd is, mede gelet op de ruime beoordelingsmarge van de overheid bij sociale zekerheidsregelingen. Appellant heeft geen onderbouwing geleverd dat het beleid van redelijke grond is ontbloot. De Raad bevestigt daarom het oordeel dat appellant geen recht heeft op verhoging van zijn uitkering tot 85%.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard; geen verhoging van de Wajong-uitkering wegens ontbreken van geregelde verzorging.