ECLI:NL:CRVB:2020:1761
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als adviseur vers vlees en meldde zich ziek met fysieke klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij belastbaar was met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en niet geschikt voor haar laatste werk. Het UWV weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen per 9 juli 2018 omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank onterecht de juistheid van het UWV-onderzoek aannam en dat de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen niet onpartijdig waren.
De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet. Er was onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat de beperkingen onjuist waren vastgesteld of dat er sprake was van objectief medisch vastgestelde psychische klachten. Ook was er geen gegronde twijfel aan de onafhankelijkheid van de UWV-functionarissen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.