ECLI:NL:CRVB:2020:1735
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens geen toegenomen beperkingen
Appellant, laatstelijk werkzaam als allround medewerker/schoonmaker, meldde zich in 2014 ziek vanwege gehoor- en psychische klachten. Na afloop van de wachttijd werd hij in 2016 niet toegelaten tot de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
In 2017 verzocht appellant om herbeoordeling op grond van een vermeende verslechtering. Het UWV weigerde de uitkering opnieuw toe te kennen, omdat de medische beoordeling geen toename van beperkingen aantoonde. De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanleiding was de belastbaarheid anders in te schatten.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen werden onderschat, maar bracht geen nieuwe medische stukken of argumenten in. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat zonder toename van medische beperkingen geen arbeidskundige beoordeling aan de orde is.
De Raad wees tevens op eerdere jurisprudentie die dit standpunt ondersteunt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; geen toekenning WIA-uitkering wegens geen toename van beperkingen.