ECLI:NL:CRVB:2020:1713
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 2014 bijstand en stond sinds 2017 ingeschreven op een adres in Rotterdam. Na een signaal dat een derde persoon zich op hetzelfde adres had ingeschreven, voerde het college een onderzoek uit, waarbij werd vastgesteld dat appellante en deze persoon een gezamenlijke huishouding voerden. Appellante had dit niet gemeld, waardoor zij ten onrechte bijstand ontving als alleenstaande.
Het college besloot de bijstand met ingang van 4 december 2017 in te trekken en de te veel ontvangen bedragen terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep beperkte appellante haar verweer tot het aanvoeren van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
De Raad oordeelde dat nieuwe gronden die in eerdere procedures bewust niet waren aangevoerd niet nader behandeld worden. De aangevoerde dringende redenen slaagden niet omdat appellante onvoldoende aannemelijk maakte dat de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen zou hebben. Bovendien bleek zij de terugvordering inmiddels te hebben voldaan zonder de gevreesde gevolgen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.