ECLI:NL:CRVB:2020:17
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was werkzaam als medewerker HR-servicedesk en meldde zich ziek met psychische klachten. Na initiële weigering kende het UWV haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Later werd deze uitkering herbeoordeeld en beëindigd per 1 augustus 2016 vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsartsen rekening hadden gehouden met alle klachten. Ook de arbeidsdeskundige had de mate van arbeidsongeschiktheid op juiste wijze vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat haar beperkingen onderschat waren, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV bevoegd was tot herbeoordeling en dat het medisch en arbeidskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig was. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde de beëindiging van de WGA-uitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.