ECLI:NL:CRVB:2020:1625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit toepassing kostendelersnorm bij bijstand na emigratie inwonend kind
Appellant ontvangt sinds 2010 bijstand en kreeg bij besluit van 5 februari 2015 een verlaging van zijn bijstand met ingang van 1 juli 2015 vanwege de kostendelersnorm, omdat hij een inwonend kind van 21 jaar had dat niet schoolgaand was. Appellant maakte hiertegen geen bezwaar.
In november 2016 verzocht appellant om herziening van de bijstand omdat zijn dochter sinds 2014 in Turkije woonde en werkte, en de kostendelersnorm daardoor niet toegepast had mogen worden. Het college herzag de bijstand met ingang van 5 maart 2016, maar wees het bezwaar tegen die ingangsdatum af omdat appellant geen nieuwe feiten had aangevoerd die niet eerder in bezwaar naar voren hadden kunnen komen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de bewijsstukken van de Turkse sociale zekerheidsinstelling nieuwe feiten vormden en dat hij niet wist dat het besluit van 2015 betrekking had op zijn dochter.
De Raad oordeelde dat de bewijsstukken geen nieuwe feiten zijn omdat appellant dit standpunt al in bezwaar had kunnen inbrengen. Ook was het voor appellant duidelijk dat het besluit over zijn dochter ging. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de toepassing van de kostendelersnorm vanaf 1 juli 2015 blijft gehandhaafd.