Uitspraak
1 mei 2019, 18/4686 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een voormalig burgerambtenaar bij het Ministerie van Defensie, kreeg vanaf 1 oktober 2010 wachtgeld toegekend. Na onderzoek door WWplus bleek dat hij over de periode januari 2014 tot en met juli 2017 te veel wachtgeld had ontvangen vanwege onjuiste verrekening van neveninkomsten. De staatssecretaris vorderde dit bedrag terug via een besluit opgenomen in de salarisspecificatie van augustus 2017. Betrokkene maakte bezwaar, dat door de staatssecretaris niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar wel tijdig was ingediend en vernietigde het besluit, waarbij zij stelde dat de staatssecretaris slechts bevoegd was tot terugvordering over de periode augustus 2015 tot juli 2017, niet over de eerdere periode. De staatssecretaris ging in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het bezwaar tijdig is ingediend en oordeelt dat vanwege toedoen van betrokkene de verjaringstermijn van vijf jaar geldt voor terugvordering. De staatssecretaris was binnen deze termijn bevoegd het teveel betaalde wachtgeld terug te vorderen.
De Raad wijst het beroep af en vernietigt het vonnis van de rechtbank. Tevens oordeelt de Raad dat de vordering juist is vastgesteld en dat pensioengelden niet onterecht zijn meegenomen. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de staatssecretaris is bevoegd tot terugvordering van het te veel betaalde wachtgeld over de periode augustus 2015 tot juli 2017.