ECLI:NL:CRVB:2020:1529
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij WIA-uitkering
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake een WIA-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat voor ontvankelijkheid in hoger beroep vereist is dat er sprake is van een concreet procesbelang. Dit betekent dat het resultaat dat appellant nastreeft ook daadwerkelijk bereikt kan worden en van feitelijke betekenis is voor hem. Een louter formeel of principieel belang is onvoldoende.
Appellant stelde dat hij mogelijk in de toekomst nadeel zou kunnen ondervinden bij het verwerven van arbeid door de eerder toegekende WIA-uitkering. Dit toekomstig nadeel kon echter niet worden onderbouwd en er werd erkend dat er ook voordelen aan de uitkering verbonden kunnen zijn.
Daarom concludeert de Raad dat er geen sprake is van procesbelang en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er worden geen proceskosten toegekend en het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.