ECLI:NL:CRVB:2020:1526

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2020
Publicatiedatum
21 juli 2020
Zaaknummer
17/4157 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 AwbArt. 6 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het hoger beroep is later ingetrokken nadat de Minister met een gewijzigde beslissing op bezwaar volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet was gekomen.

De Raad heeft vervolgens de Minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken voor de behandeling van het beroep en hoger beroep, begroot op in totaal € 2.100,-. Daarnaast is de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De totale procedure duurde van ontvangst van het bezwaarschrift op 27 augustus 2015 tot de uitspraak op 16 juli 2020, oftewel vier jaar en negen maanden. Dit overschrijdt de redelijke termijn met negen maanden, waarvoor een schadevergoeding van € 1.000,- passend werd geacht. De Raad heeft het verzoek tot vergoeding van reiskosten afgewezen omdat er geen zitting bij de Raad heeft plaatsgevonden.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep en is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2020.

Uitkomst: De Minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en de Staat tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Datum uitspraak: 16 juli 2020
17/4157 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a, 8:88 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 mei 2017, 16/11 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.S. Wijling, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op 5 november 2019 een beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 6 december 2019 heeft mr. Wijling namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de minister te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van schade ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn.
De Minister heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat de Minister met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 5 november 2019 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding de Minister te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.575,- in beroep en € 525,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
De gevraagde reiskosten in hoger beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking aangezien er geen zitting bij de Raad heeft plaatsgevonden.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot de minister wenden.
Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt het volgende.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Vanaf de datum van ontvangst door de Minister van het bezwaarschrift op 27 augustus 2015 tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure vier jaar en negen maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met negen maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van de Minister minder dan zes maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden. De Staat wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.000,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt de Minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.100,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-.
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 262,50.
Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van
K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2020.
(getekend)W.J.A.M. van Brussel
(getekend) K.R. van Renswoude

TM