ECLI:NL:CRVB:2020:1513
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging toepassing heffingskorting op AOW-pensioen na wetswijziging
Appellant, woonachtig in Canada, ontving een AOW-pensioen waarop tot 1 januari 2019 een heffingskorting werd toegepast, waardoor minder loonbelasting werd ingehouden. Door een wetswijziging is deze korting per genoemde datum komen te vervallen, wat leidde tot een verlaging van het netto pensioenbedrag.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft appellant hierover geïnformeerd en het pensioenbedrag aangepast. Appellant maakte bezwaar tegen deze wijziging, stellende dat de korting onterecht werd toegepast en dat de Svb de hoorplicht in bezwaar had geschonden.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de Svb het besluit voldoende had toegelicht en dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en stelt vast dat de wetswijziging een dwingendrechtelijke basis vormt voor de wijziging van de heffingskorting en dat de Svb de wet correct heeft toegepast.
Verder oordeelt de Raad dat de Svb terecht heeft afgezien van het horen van appellant in bezwaar, omdat het bezwaar op voorhand kennelijk ongegrond was. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Svb terecht geen heffingskorting toepast op het AOW-pensioen van appellant na wetswijziging.