Uitspraak
19 3239 MAW
19 juni 2019, 18/6816 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een beroepsmilitair, verzocht om een aanvullende vergoeding op grond van artikel 60b van het AMAR voor de beperking van zijn bewegingsvrijheid tijdens consignatiediensten vanaf augustus 2015 tot januari 2018. De commandant wees dit verzoek af, stellende dat er geen sprake was van een beperking zoals bedoeld in het AMAR en dat het beroep op appellant niet voortvloeide uit de taakstelling van de krijgsmacht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat consignatie volgens het AMAR en de VROB een getrapt vergoedingenstelsel kent waarbij de meest passende consignatievorm wordt gekozen en vergoedingen niet gecombineerd kunnen worden.
Appellants subjectieve beleving van ernstige bewegingsvrijheidsbeperking werd niet gevolgd, omdat hij niet verplicht was thuis te blijven maar binnen 30 minuten op de basis moest zijn. De Raad herstelde tevens de procespartij en wees het beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; geen aanvullende vergoeding wegens bewegingsvrijheidsbeperking tijdens consignatie.