ECLI:NL:CRVB:2020:1484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als verkoopmedewerker, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekte met psychische en energetische klachten. Het UWV weigerde deze uitkering omdat zij de wachttijd niet had voltooid en later omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch oordeel van het UWV juist was en dat de geselecteerde functies passend waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij zwaarder beperkt was door recidiverende depressieve klachten en betwistte de geschiktheid van de functies.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen nieuwe medische informatie had ingebracht die het medisch standpunt van het UWV in twijfel kon trekken. De Raad onderschreef de motivering van het UWV en de rechtbank dat de functies medisch geschikt zijn en dat de zorgtaken buiten beschouwing moeten blijven.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.