ECLI:NL:CRVB:2020:1452
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schuldig nalatigverklaring AOW-premies over 2003-2007 ondanks beroep op bijzondere omstandigheden en verjaring
De Sociale verzekeringsbank (Svb) verklaarde appellant schuldig nalatig voor het niet betalen van AOW-premies over de jaren 2003 tot en met 2007. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de bevoegdheid tot schuldignalatigverklaring was verjaard en dat bijzondere omstandigheden, waaronder slechte financiële situatie en psychische problemen, hem niet konden worden toegerekend.
De Raad oordeelde dat de verjaring niet slaagt omdat wettelijke grondslag ontbreekt en dat de Svb terecht de schuldignalatigverklaring uit 2015 heeft genomen nadat appellant terugkeerde naar Nederland. De Raad bevestigde dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat zijn niet-betaling niet aan hem kan worden toegerekend, mede omdat hij in staat was andere zaken te regelen.
Voor het jaar 2007 was de aanslag ambtshalve vastgesteld en het niet betalen daarvan leidt volgens vaste rechtspraak tot schuldig nalatig verklaring. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland en wees het beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant schuldig nalatig is voor het niet betalen van AOW-premies over 2003-2007 en wijst het hoger beroep af.