ECLI:NL:CRVB:2020:1427
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bevoegdheid zorgkantoor tot nihil vaststelling en terugvordering pgb wegens niet-naleving verplichtingen
Appellante ontving voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) om AWBZ-zorg in te kopen. Het zorgkantoor stelde het pgb bij besluit van 7 april 2016 op nihil vast en vorderde € 38.293,55 aan onverschuldigde voorschotten terug, omdat appellante niet had voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en de terugvordering te doen. Appellante voerde onder meer aan dat zorgverlener haar broer was en dat zij door haar psychische gesteldheid niet in staat was haar administratie goed te voeren, maar dit werd niet als voldoende bewijs geaccepteerd.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad benadrukte dat de bewijslast bij de verzekerde ligt om aannemelijk te maken dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is verleend en betaald. Ondanks aanvullende stukken bleef onduidelijk in welke mate het pgb aan AWBZ-zorg was besteed. Ook was onduidelijk hoe de zorg werd verleend tijdens periodes van verblijf in het buitenland en waarom het uurtarief hoger was dan afgesproken.
De Raad concludeerde dat het zorgkantoor terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot nihil vaststelling van het pgb en terugvordering van voorschotten. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb op nihil vast te stellen en voorschotten terug te vorderen.