Uitspraak
18.509 WAJONG
OVERWEGINGEN
BESLISSING
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2020.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1997, vroeg op 4 april 2016 een beoordeling van haar arbeidsvermogen aan bij het UWV. Zij heeft een licht verstandelijke beperking, een reactieve hechtingsstoornis, psychische klachten en is slechthorend. Het UWV stelde op 17 oktober 2016 vast dat zij geen recht heeft op een Wajong-uitkering omdat haar arbeidsvermogen niet duurzaam ontbrak. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar en door de rechtbank Rotterdam.
In hoger beroep betoogde appellante dat het UWV en de rechtbank ten onrechte oordeelden dat haar arbeidsvermogen niet duurzaam ontbrak. Zij stelde dat zij niet redelijk functioneerde op school, dat haar psychische problemen ernstig zijn en dat de behandeling niet effectief was. Zij overlegde aanvullende medische stukken van 2018 en 2019 ter onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was. De artsen en arbeidsdeskundigen hebben gemotiveerd dat er op de datum in geding geen sprake was van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. De aanvullende stukken leiden niet tot een ander oordeel. De Raad wijst erop dat op grond van artikel 1a:1, tweede lid, Wajong een verzoek kan worden ingediend indien binnen vijf jaar na de achttiende verjaardag alsnog sprake is van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.