ECLI:NL:CRVB:2020:1412
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering en vaststelling pgb op nihil wegens niet-naleving verplichtingen AWBZ-zorg
Appellant ontving voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) om AWBZ-zorg in te kopen. Het zorgkantoor stelde het pgb op nihil vast en vorderde onverschuldigd betaalde voorschotten van € 51.314,15 terug, omdat appellant niet had voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het zorgkantoor terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant had niet aannemelijk gemaakt in welke omvang hij zorg ontving, of deze zorg als AWBZ-zorg kon worden aangemerkt, en of er daadwerkelijk voor betaald was. Tevens had appellant zijn zorgverleners ten onrechte vooruitbetaald in strijd met artikel 2.6.9, eerste lid, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa).
In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat het zorgkantoor op de hoogte was van zijn psychische gesteldheid en dat hij handelde naar aanwijzingen van zorginstellingen, maar de Raad volgde dit niet. De Raad bevestigde dat de bewijslast bij appellant ligt en dat hij onvoldoende inzicht had gegeven in de besteding van het pgb. Ook het argument dat het zorgkantoor eerder had moeten ingrijpen, werd verworpen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.