ECLI:NL:CRVB:2020:1363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen ondanks visuele en psychische beperkingen
Appellante, geboren in 1982, ontvangt sinds 2000 een Wajong-uitkering vanwege een progressieve oogziekte met visuele stoornissen. Na invoering van de Wajong 2015 heeft het UWV in 2017 vastgesteld dat zij arbeidsvermogen bezit, waarop haar uitkering per 1 januari 2018 werd verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze verlaging, stellende dat haar visuele en psychische beperkingen haar arbeidsvermogen uitsluiten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht, inclusief recente medische informatie van een oogarts en psycholoog. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat appellante ondanks haar beperkingen basale werknemersvaardigheden bezit, taken kan uitvoeren binnen een arbeidsorganisatie en ten minste vier uur per dag belastbaar is.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten zonder nieuwe feiten aan te dragen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft. De Raad bevestigde dat de verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon per 1 januari 2018 terecht is en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon per 1 januari 2018 is terecht bevestigd.