ECLI:NL:CRVB:2020:1194
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor medicinale cannabis wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant verzocht bijzondere bijstand voor de kosten van medicinale cannabis, omdat zijn zorgverzekering deze sinds 1 juli 2017 niet meer vergoedde. Het college wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet een voorliggende voorziening is en er geen zeer dringende redenen waren om toch bijstand te verlenen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat artikel 15 van Pro de Participatiewet in dit geval bijstandverlening in de weg staat en dat artikel 16 alleen Pro bijstand toestaat bij zeer dringende redenen, die een acute noodsituatie vereisen.
Hoewel appellant stelde dat het niet kunnen gebruiken van medicinale cannabis vergelijkbaar is met ernstig lichamelijk letsel, ontbrak een medische onderbouwing dat het niet gebruiken hiervan tot levensbedreigende situaties of blijvend ernstig letsel leidt. De brief van de huisarts toonde aan dat medicinale cannabis de klachten tot een aanvaardbaar niveau bracht, maar dat andere medicatie mogelijk ook verlichting kan bieden.
De Raad concludeerde dat de situatie van appellant niet voldoet aan de criteria voor zeer dringende redenen en bevestigde daarom de afwijzing van de bijzondere bijstand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor medicinale cannabis wordt bevestigd wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.