ECLI:NL:CRVB:2020:1193

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2020
Publicatiedatum
9 juni 2020
Zaaknummer
19/3356 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 43 PWArt. 44 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet, maar deze werd ingetrokken vanwege onduidelijkheid over zijn verblijfplaats. Na meerdere aanvragen en afwijzingen wegens schending van medewerkings- en inlichtingenplicht, kende het college bijstand toe met ingang van 15 juli 2018, maar niet met terugwerkende kracht vanaf 30 april 2018. De rechtbank vernietigde het besluit wegens schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep betoogde appellant dat bijzondere omstandigheden een eerdere toekenning rechtvaardigen.

De Raad beoordeelde de periode van 30 april tot 15 juli 2018 en maakte onderscheid tussen periodes met en zonder eerdere besluitvorming. Volgens vaste rechtspraak wordt bijstand voorafgaand aan een aanvraag in principe niet toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant voerde aan tot een bijzondere doelgroep te behoren en een TBS-maatregel te hebben gehad, maar slaagde er niet in dit met objectieve stukken te onderbouwen. Ook bleek niet dat hij eerder een aanvraag kon doen of dat het college hem daarvan weerhield.

De Raad concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een bijstandstoekenning vóór 15 juli 2018 rechtvaardigen. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

19 3356 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 9 juni 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
10 juli 2019, 18/7490 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht nader ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Bij besluit van 19 februari 2018 heeft het college de bijstand met ingang van 8 januari 2018 ingetrokken, op de grond dat appellant niet meer verblijft op het opgegeven uitkeringsadres en niet kan vertellen op welke adressen hij verblijft.
1.2.
Appellant heeft op 17 mei 2018 bij het college een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 9 juli 2018 heeft het college de aanvraag afgewezen, op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan de medewerkingsverplichting. Dit besluit staat in rechte vast.
1.3.
Appellant heeft op 15 juli 2018 opnieuw bijstand aangevraagd met als gewenste ingangsdatum 30 april 2018.
1.4.
Bij besluit van 4 september 2018 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij tijdens twee locatiebezoeken van de afdeling handhaving op 15 en 17 augustus 2018 niet op de door hem opgegeven verblijfslocaties is aangetroffen. Het recht op bijstand kon daardoor niet worden vastgesteld.
1.5.
Bij besluit van 3 december 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2018 gegrond verklaard, dit besluit herroepen en aan appellant met ingang van 15 juli 2018 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande zonder woonkosten. Het verzoek van appellant om bijstand met ingang van 30 april 2018 te verlenen is afgewezen, omdat niet is gebleken van bijzondere redenen die toekenning op een eerdere datum rechtvaardigen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit wegens schending van de hoorplicht gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. Hij heeft aangevoerd dat er wel bijzondere omstandigheden zijn die toekenning van de bijstand met ingang van een eerdere datum dan 15 juli 2018 rechtvaardigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 30 april 2018, de gewenste ingangsdatum van de bijstand, tot 15 juli 2018, de datum van de toekenning van de bijstand.
4.2.
Bij de beantwoording van de vraag of het college terecht heeft geweigerd bijstand met terugwerkende kracht tot 30 april 2018 toe te kennen, dient onderscheid te worden gemaakt in verschillende periodes, vanwege het (mogelijke) verschil in toetsingskader bij die te onderscheiden periodes (zie de uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:365).
4.3.
Over de periode van 30 april 2018 tot 17 mei 2018 en de periode van 10 juli 2018 tot
15 juli 2018 heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden. Daarvoor geldt het volgende. Over een periode die ligt voor de datum van de aanvraag en waarover nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden wordt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van
2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO2996) inzake de toepassing van artikel 43 en Pro artikel 44 van Pro de PW in beginsel geen bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
4.4.
Over de periode van 17 mei 2018 tot en met 9 juli 2018 heeft eerder besluitvorming plaatsgevonden. Bij uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Zoals de Raad tot uitdrukking heeft gebracht in zijn uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:365, brengt die wijziging mee dat voor de vraag welk toetsingskader wordt gehanteerd bepalend is op welke grondslag en op welke wijze het bestuursorgaan de aanvraag heeft afgewezen. In het voorliggende geval leidt dit tot het volgende. Het college heeft in het bestreden besluit geen onderscheid gemaakt in periodes en dus net als voor de onder 4.3 genoemde periodes ook voor deze periode beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden. De Raad zal daarom, anders dan het college in het verweerschrift naar voren heeft gebracht, ook voor deze periode beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het uitgangspunt dat geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de aanvraag.
4.5.
Appellant heeft als bijzondere omstandigheden aangevoerd dat hij tot de categorie ‘bijzondere doelgroepen’ van de gemeente [gemeente] behoort en in het verleden een TBS-maatregel opgelegd heeft gekregen en dat op meerdere vlakken sprake is van ernstige problematiek. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn die een toekenning van de bijstand eerder dan 15 juli 2018 rechtvaardigen. Appellant heeft zijn betoog dat zijn persoonlijke omstandigheden reden kunnen en moeten zijn om de bijstand per 30 april 2018 in te laten gaan, niet met (objectieve) stukken onderbouwd. Verder blijkt ook niet dat appellant hierdoor niet eerder een aanvraag had kunnen indienen, hij heeft dat in mei 2018 ook daadwerkelijk gedaan, dan wel dat hij in deze periodes van de zijde van het college is afgehouden van het doen van een nieuwe aanvraag.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van
R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2020.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) R.B.E. van Nimwegen