ECLI:NL:CRVB:2020:103
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het dagelijks bestuur stelde na onderzoek vast dat zij samen met appellant een gezamenlijke huishouding voerde op het uitkeringsadres. Dit leidde tot herziening en terugvordering van bijstand over de periode 1 augustus 2015 tot 2 februari 2016.
Het onderzoek omvatte dossieronderzoek, huisbezoek, getuigenverklaringen en waarnemingen. Appellanten verklaarden dat appellant het merendeel van de tijd op het uitkeringsadres verbleef en dat er sprake was van wederzijdse zorg. Getuigen en waarnemingen bevestigden dat appellant niet op zijn inschrijfadres verbleef.
De Raad oordeelde dat aan de objectieve criteria voor gezamenlijke huishouding was voldaan: hetzelfde hoofdverblijf en wederzijdse zorg. De zorg was niet volledig gelijkwaardig, maar wel wederzijds. Het hoger beroep faalde, en de rechtbankuitspraak werd bekrachtigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.