Uitspraak
16.7259 PW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft zich op 12 oktober 2015 gemeld bij de Dienst Werk en Inkomen van Amsterdam voor een aanvraag bijstand, waarbij hij aangaf geen vaste verblijfplaats te hebben. Tijdens een vervolggesprek op 23 november 2015 verweigerde appellant het doorgeven van huisnummers, waarna de aanvraagprocedure werd afgesloten. Het college stuurde een brief van 4 januari 2016 waarin werd gesteld dat appellant geen aanvraag had ingediend.
Appellant stelde dat deze brief wel een besluit was en dat zijn aanvraag ten onrechte niet in behandeling werd genomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de brief slechts een informatieve mededeling was en geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro.
Verder stelde de Raad dat de melding van appellant niet als een aanvraag kon worden aangemerkt, omdat hij tijdens het vervolggesprek vertrok zonder een aanvraag in te dienen. Ook de brief van de gemachtigde van appellant was geen aanvraag. Hierdoor was het bezwaar tegen de brief terecht niet-ontvankelijk verklaard en was er geen grond voor schadevergoeding.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de brief van 4 januari 2016 is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.