ECLI:NL:CRVB:2019:931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onbevoegdheid hoger beroep wegens appelverbod in WAZ-uitkeringszaak
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV dat zij vanaf 2003 geen recht had op een WAZ-uitkering. Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat appellante niet tijdig de gronden van haar bezwaar had aangeleverd. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde het appelverbod.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar het recht van hoor en wederhoor was onthouden en dat de rechtbank ten onrechte het appelverbod had toegepast. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het appelverbod op grond van de wet niet doorbroken kon worden, omdat er geen evidente schending van de eisen van een goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen was.
De Raad concludeerde dat het achterwege laten van een mondelinge behandeling geen schending van het recht op hoor en wederhoor of een eerlijk proces oplevert. Ook achtte de Raad het niet aannemelijk dat appellante de brief van het UWV niet had ontvangen. Daarom verklaarde de Raad zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep wegens het appelverbod.