ECLI:NL:CRVB:2019:915
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens inkomen niet-rechthebbende partner boven gehuwdennorm
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar haar niet-rechthebbende echtgenoot had inkomsten boven de gehuwdennorm. Het college herzag daarom de bijstand en trok deze met terugwerkende kracht in, met terugvordering van teveel ontvangen bedragen. Appellante stelde dat haar echtgenoot geen rekening mocht worden gehouden omdat hij geen recht op bijstand had en dat de zorg voor vijf kinderen een bijzondere situatie vormde.
De Raad oordeelde dat het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot wel degelijk in aanmerking mag worden genomen volgens artikel 32, derde lid, van de Participatiewet. De zorg voor vijf kinderen, waaronder twee tweelingen, vormde geen zeer bijzondere situatie die een individuele afstemming rechtvaardigde. Verder was niet aannemelijk dat appellante tijdig melding had gemaakt van het inkomen van haar echtgenoot, waardoor zij haar inlichtingenplicht had geschonden.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken van de rechtbank die de intrekking en terugvordering van de bijstand en de afwijzing van de aanvraag handhaafden. Er werd geen aanleiding gezien voor toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand zijn bevestigd omdat het inkomen van de niet-rechthebbende partner boven de gehuwdennorm lag en appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden.