Uitspraak
18.3639 PW-PV
C. van den Bergh.
Centrale Raad van Beroep
Appellante verhuisde van Alkmaar naar Utrecht en ontving in januari 2017 bijzondere bijstand van Alkmaar voor de inrichting van haar woning. Zij vroeg later opnieuw bijzondere bijstand aan bij het college van burgemeester en wethouders van Utrecht voor aanvullende inrichtingskosten. Dit verzoek werd op 2 juni 2017 afgewezen en het bezwaar daarop op 6 september 2017 gehandhaafd.
De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. De rechtbank overwoog dat appellante reeds een bedrag van €4.295,- had ontvangen waarmee zij geacht werd haar woning te kunnen inrichten. Zij is zelf verantwoordelijk voor de besteding van dit bedrag en een eventueel tekort komt voor haar eigen rekening.
De Raad voor de Rechtspraak sluit zich aan bij de rechtbank en bevestigt dat het college het buitenwettelijk begunstigend beleid van de gemeente Utrecht correct heeft toegepast. De toetsing is beperkt tot consistentie van het beleid en niet tot de redelijkheid ervan. De aangevoerde gronden van appellante zijn een herhaling van eerdere argumenten en bieden geen aanleiding tot vernietiging van het bestreden besluit.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor woninginrichting is terecht afgewezen omdat appellante reeds voldoende middelen had ontvangen.