ECLI:NL:CRVB:2015:3828
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag bijzondere bijstand voor kosten tussenschoolse opvang
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van tussenschoolse opvang voor haar kinderen over het schooljaar 2013-2014. Het college kende bij besluiten van december 2013 een beperkte vergoeding toe tot en met december 2013, maar weigerde vergoeding vanaf januari 2014 omdat de kosten niet meer zouden bestaan.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij de opvang moest beëindigen vanwege financiële onmogelijkheid, maar zij kon niet aantonen dat de kosten noodzakelijk waren. De Raad oordeelde dat de kosten zich niet voordoen omdat appellante vanaf januari 2014 geen gebruik meer maakt van de opvang en geen kosten meer worden gemaakt.
Verder kon appellante geen beroep doen op artikel 16 WWB Pro voor bijzondere bijstand wegens zeer dringende redenen, omdat zij binnen de personenkring van de WWB valt en niet is uitgesloten van het recht op bijstand. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor kosten tussenschoolse opvang vanaf 1 januari 2014 is terecht afgewezen.