ECLI:NL:CRVB:2019:832
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellant, een voormalig huisvuilchauffeur, ontving sinds 2007 een WGA-uitkering wegens knie- en rugklachten. Na een herbeoordeling in 2014 stelde het UWV vast dat zijn arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder de 35%, waarna de uitkering per maart 2015 werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, mede op basis van een expertise van een orthopedisch chirurg, en dat er geen objectiveerbare afwijkingen waren die de pijn konden verklaren. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) hield rekening met de beperkingen van appellant. Ook nieuw ingediende medische stukken in hoger beroep konden het oordeel niet veranderen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat de geselecteerde functies medisch passend zijn. Het ontbreken van een neurologisch onderzoek leidt niet tot een ander oordeel, nu later neurologisch onderzoek het standpunt van het UWV bevestigt. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.