ECLI:NL:CRVB:2019:690
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat toetsing onevenredig zware last AOW-gat via OBR-voorwaarden onvoldoende is, maar latere individuele toetsing door Svb rechtvaardigt handhaving besluit
Betrokkene, geboren in 1950, kreeg vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd met zes maanden een later AOW-pensioen toegekend, wat leidde tot een netto inkomensverlies van bijna 40% gedurende het AOW-gat. Hij maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van zijn AOW-pensioen en stelde dat dit een onevenredig zware last vormde in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) verklaarde het bezwaar ongegrond omdat betrokkene niet voldeed aan de voorwaarden van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering (OBR), die als maatstaf werd gehanteerd om een onevenredig zware last vast te stellen. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de toetsing aan de OBR-voorwaarden onvoldoende was als individueel feitenonderzoek.
In hoger beroep stelde de Svb dat zij inmiddels ook de inkomens- en vermogenspositie van betrokkene tijdens het AOW-gat meeweegt, en concludeerde dat geen sprake was van een onevenredig zware last. De Raad oordeelt dat de loutere toetsing aan de OBR-voorwaarden inderdaad onvoldoende is, maar dat de latere individuele toetsing door de Svb voldoet aan het vereiste van een deugdelijk feitenonderzoek. De Raad bevestigt de vernietiging van het eerdere besluit maar laat de rechtsgevolgen van het nieuwe besluit van de Svb in stand en veroordeelt de Svb in de proceskosten.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de toetsing aan de OBR-voorwaarden onvoldoende is, maar sluit zich aan bij de latere individuele toetsing door de Svb en laat het besluit in stand.