Uitspraak
15.834 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
deze uitspraak;
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak stond centraal of Goudse Schadeverzekeringen N.V., als garantsteller van een failliete werkgever, als belanghebbende kon worden aangemerkt bij een WIA-uitkeringsbesluit gericht aan een voormalige werkneemster. De rechtbank had dit ontkennend beantwoord en het beroep van appellante ongegrond verklaard, stellende dat haar belang slechts afgeleid was uit de garantstellingsovereenkomst en het faillissement van de werkgever.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellante een eigen zelfstandig belang heeft bij het uitkeringsbesluit. Dit volgt uit artikel 84, tweede lid, van de Wet WIA, dat bepaalt dat bij faillissement van een eigenrisicodrager het UWV de uitkering betaalt en deze verhaalt op de garantsteller. Dit belang is niet louter afgeleid van de contractuele relatie, maar vloeit rechtstreeks voort uit de wet.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van het UWV, en gaf het UWV opdracht om opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen. Tevens werd bepaald dat beroep tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld. De privacybelangen van de uitkeringsgerechtigde kunnen volgens de Raad adequaat worden beschermd via toepasselijke Awb-bepalingen.
Tot slot veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: De Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt het UWV op opnieuw te beslissen met inachtneming van de uitspraak.