ECLI:NL:CRVB:2019:62
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid en afwijzing hogere schadevergoeding redelijke termijn Wajong
Appellante, geboren in 1989, heeft een langdurige arbeidsongeschiktheid met psychische aandoeningen en heeft een Wajong-uitkering aangevraagd. Het UWV wees deze aanvankelijk af wegens onvoldoende bewijs van duurzame arbeidsongeschiktheid op haar achttiende verjaardag. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering en bepaalde een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep betoogt appellante dat zij wel duurzaam volledig arbeidsongeschikt is en dat de schadevergoeding te laag is vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep overweegt dat duurzame arbeidsongeschiktheid inhoudt dat iemand blijvend niet in staat is tot arbeid, ook niet met ondersteuning of beschut werk. De medische rapporten wijzen op behandelopties die mogelijk tot verbetering kunnen leiden, waardoor de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is.
De Raad bevestigt dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat appellante niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt was ten tijde van belang. Ook wijst de Raad het beroep tegen de hoogte van de schadevergoeding af, omdat de WIA- en Wajong-procedures grotendeels parallel liepen en geen extra frustratie veroorzaakten die een hogere vergoeding rechtvaardigen.
De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het verzoek om wettelijke rente wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt was en wijst het hoger beroep tegen de schadevergoeding af.