ECLI:NL:CRVB:2019:604
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering ondanks psychiatrische beperkingen
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met psychische klachten en kreeg aanvankelijk een WIA-uitkering toegekend. Na heronderzoek stelde het UWV dat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen en beëindigde de uitkering. Appellante voerde aan dat zij vanwege een conversiestoornis en psychische aandoeningen niet in staat was haar linkerarm te gebruiken en dat dit onvoldoende was meegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de belastbaarheid van appellante de geselecteerde functies niet overschreed. In hoger beroep werd een deskundige geraadpleegd die bevestigde dat er meer beperkingen waren dan eerder vastgesteld, maar dat de functies nog steeds geschikt waren.
Het UWV paste de Functionele Mogelijkhedenlijst aan op basis van het deskundigenrapport en onderbouwde dat de belasting van de functies de belastbaarheid niet overschrijdt. De Raad concludeerde dat het UWV pas in hoger beroep voldoende onderbouwing gaf, maar paste dit gebrek toe artikel 6:22 Awb Pro toe omdat appellante daardoor niet benadeeld werd.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt bevestigd ondanks psychiatrische beperkingen.