Uitspraak
16.7051 PW
21 oktober 2016, 16/3174 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet, maar het college wees de aanvraag af vanwege een vermogen boven de vrijlatingsgrens, bestaande uit saldi op en/of-rekeningen op naam van appellant en zijn moeder. Na wijziging van de tenaamstelling van deze rekeningen op naam van alleen de moeder, diende appellant een nieuwe aanvraag in. Het college kende bijstand toe, maar verlaagde deze met 100% en verstrekte de bijstand vanaf november 2015 als lening, omdat appellant volgens het college bewust zijn vermogen had prijsgegeven en daarmee tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor het bestaan had getoond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij mantelzorger was voor zijn dementerende moeder en dat de en/of-rekeningen waren ingesteld om haar financiën te beheren. Hij stelde dat hij het vermogen niet bewust had prijsgegeven, maar dat de wijziging van de tenaamstelling het gevolg was van een rechterlijke bewindstelling op verzoek van zijn zus. De Raad oordeelde echter dat appellant tot het moment van wijziging over het vermogen kon beschikken en dat hij dit zelf had prijsgegeven. De stelling dat het vermogen aan zijn moeder toebehoorde en dat hij slechts beheer voerde, werd niet aannemelijk gemaakt.
De Raad wees erop dat appellant jarenlang vrijelijk over de gelden had beschikt, ook na verhuizing van zijn moeder naar een verzorgingstehuis. De wijziging van de tenaamstelling vond kort na de afwijzing van zijn eerste bijstandsaanvraag plaats, wat duidt op een bewuste actie om vermogen buiten zijn bereik te brengen. Daarom concludeerde de Raad dat appellant tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond en bevestigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% wordt bevestigd wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.