ECLI:NL:CRVB:2019:525
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering toeslag na tijdelijke vrijlatingsregeling inkomsten
Appellante ontving een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) naast een WGA-vervolguitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verlaagde de toeslag over 2013 en vorderde een bedrag terug, omdat de vrijlating van inkomsten slechts twee jaar geldt. Appellante maakte bezwaar en beriep zich op het vertrouwensbeginsel, stellende dat zij onjuist was geïnformeerd.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het Uwv terecht terugvordering toepaste, omdat geen toezeggingen waren gedaan die een vrijstelling voor 2013 rechtvaardigen. De werkcoach was niet op de hoogte van de toeslag en de berekeningen betroffen alleen de WIA-uitkering.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat de vrijlatingsregeling tijdelijk is en dat appellante redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de beperkte duur, mede door de verstrekte folders. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen gerechtvaardigd vertrouwen kon worden aangenomen. Ook waren er geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de toeslag over 2013 bevestigd.