ECLI:NL:CRVB:2019:508
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding pgb-gelden
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft de bijstand van appellante herzien over de periode van 1 augustus 2010 tot en met 30 april 2012 en de kosten van bijstand tot een bedrag van €12.682,90 teruggevorderd. Dit gebeurde omdat appellante pgb-gelden op een en/of rekening ontving en hiervan geen melding maakte, terwijl zij over deze gelden kon beschikken.
De rechtbank Rotterdam heeft in haar uitspraak van 22 december 2017 bevestigd dat appellante over de tegoeden op de mede op haar naam staande en/of rekening kon beschikken. Appellante slaagde er niet in tegenbewijs te leveren. Hierdoor werd vastgesteld dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door de ontvangst van de pgb-gelden niet te melden.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat het college verplicht was de bijstand te herzien en terug te vorderen. De door appellante aangevoerde financiële omstandigheden vormen geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep wordt verworpen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.