ECLI:NL:CRVB:2019:497
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep beveelt herstel arbeidskundige grondslag WIA-uitkering
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, viel in 2010 uit wegens klachten aan linkerarm, elleboog en schouder. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Later werd deze uitkering beëindigd en omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering met een lagere mate van arbeidsongeschiktheid (35-45%).
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en het UWV nam een gewijzigd besluit waarbij zij recht zou houden op een WGA-loonaanvullingsuitkering tot 1 juli 2017 zonder inkomenseis. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was. De Raad stelde vast dat het medisch onderzoek wel degelijk zorgvuldig was, maar dat de arbeidsdeskundige onvoldoende had gemotiveerd waarom de bijgeduide functie schoonmaker hotel passend was, mede vanwege onvoldoende verwantschap en onjuiste inschatting van de fysieke belasting.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke arbeidskundige grondslag is gebaseerd en in strijd is met artikel 7:12 Awb Pro. Daarom draagt de Raad het UWV op om binnen zes weken het besluit te herstellen en een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit over de WIA-uitkering binnen zes weken te herstellen vanwege een onvoldoende arbeidskundige onderbouwing.