ECLI:NL:CRVB:2019:484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging kostenvergoeding en afwijzing schadevergoeding in WMO-zaak
Appellant, vertegenwoordigd door zijn moeder, stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg waarin zijn beroep ongegrond werd verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
De zaak betreft een woonvoorziening toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) en de discussie over de eigen bijdrage en de kostenvergoeding die het college toekende. Appellant voerde onder meer aan dat de rechtbank vooringenomen was en niet alle beroepsgronden voldoende had behandeld.
De Raad oordeelde dat de rechtbank niet vooringenomen was en dat het verzoek om getuigenverhoor van de voorzitter van de rechtbank niet noodzakelijk was. Ook werd bevestigd dat de rechtbank zich mocht beperken tot de kern van de beroepsgronden. De toegewezen kostenvergoeding was volgens de Raad terecht toegekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht en een wegingsfactor van één was passend.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de kostenvergoeding en wijst het verzoek om schadevergoeding af.