Uitspraak
17.1069 WIA
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als seizoensarbeider bij een fruitplukkerbedrijf, werd ziek gemeld met terugwerkende kracht vanaf 15 september 2013. Hij vroeg een WIA-uitkering aan, maar het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de aanvraag af. De omvang van de maatman, essentieel voor de beoordeling van de uitkeringsgerechtigdheid, werd door het UWV vastgesteld op 44,02 uur per week, gebaseerd op de referteperiode augustus en september 2011.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht niet was uitgegaan van een maatman van 30,46 uur per week in 2013, omdat appellant toen niet in een volledig aangiftetijdvak werkzaam was. De door appellant overgelegde urenstaat van werkzaamheden via een detacheringsbureau werd niet meegenomen vanwege het ontbreken van bewijs van premieafdracht.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat de maatman onjuist was vastgesteld en dat de referteperiode onterecht was gekozen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd om het oordeel van de rechtbank te weerleggen en bevestigde daarom de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak wordt bevestigd.