Appellante ontving bijstand sinds 2003 en werd na een anonieme melding onderzocht op bezit van onroerende zaken in Turkije. Uit onderzoek bleek dat zij eigenaar was van twee appartementen, waarvan zij dit niet had gemeld aan het college. Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling van de kosten over twee periodes.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de appartementen niet tot haar vermogen behoorden omdat deze bedoeld waren voor haar dochters en dat zij niet daadwerkelijk over de appartementen kon beschikken. De Raad oordeelde dat het eigendom in het officiële register de veronderstelling wekt dat zij wel over het vermogen kon beschikken, en appellante slaagde er niet in dit te weerleggen.
Verder erkende het college dat vanaf 6 januari 2016 het tweede appartement niet langer op naam van appellante stond, maar de Raad vond dat de omstandigheden rond de overdracht onvoldoende waren toegelicht, waardoor het recht op bijstand onduidelijk bleef. Dringende redenen om van terugvordering af te zien werden niet aangetoond. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak, veroordeelde het college in de proceskosten en bepaalde vergoeding van griffierechten.