ECLI:NL:CRVB:2019:4356
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde tenaamstellingen motorvoertuigen
Appellanten ontvingen bijstand die door het dagelijks bestuur van Werkplein Hart van West-Brabant werd ingetrokken en teruggevorderd wegens het niet melden van tenaamstellingen van diverse motorvoertuigen. Het dagelijks bestuur stelde dat appellanten inkomsten hadden kunnen ontvangen uit transacties met deze voertuigen in de periode augustus 2015 tot en met februari 2017.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Centrale Raad van Beroep. Appellanten voerden aan dat sommige voertuigen niet hun eigendom waren en dat de verkoopprijzen laag waren, wat een verliessituatie zou betekenen. Deze stellingen werden echter niet ondersteund met objectieve en verifieerbare gegevens.
De Raad oordeelde dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door de wijzigingen in tenaamstellingen niet te melden, waardoor het recht op bijstand in de transactiemaanden niet kon worden vastgesteld. Dringende redenen om van terugvordering af te zien werden niet aangetoond, ook niet door het onder beschermingsbewind staan van appellanten of vermeende negatieve gezondheidseffecten.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde tenaamstellingen van motorvoertuigen wordt bevestigd.