ECLI:NL:CRVB:2019:4326

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 december 2019
Publicatiedatum
23 december 2019
Zaaknummer
18/6487 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 AwbEuropees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaald griffierecht ongegrond verklaard

Appellanten hadden hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, maar werden niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Hun beroep op betalingsonmacht werd eerder afgewezen.

Appellanten deden verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en voerden aan dat de Raad bij de beoordeling van het verzoek om vrijstelling van het griffierecht ten onrechte was uitgegaan van het gezamenlijk inkomen in plaats van de individuele situatie, en dat het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zwaarder moet wegen dan het 90%-criterium.

De Raad oordeelde dat de eerdere jurisprudentie juist was toegepast en dat het gezamenlijk inkomen terecht is meegewogen. De aangevoerde argumenten boden geen grond voor een ander oordeel. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 20 december 2019
18/6487 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 december 2018, 18/137 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] en [Appellante] te [woonplaats] (appellanten)
het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 16 juli 2019 heeft de Raad het door appellanten ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellanten hebben verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 15 november 2019. Appellanten zijn verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 16 juli 2019 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellanten niet in verzuim zijn geweest.
Voorafgaand aan de uitspraak van 16 juli 2019 is het door appellanten gedane beroep op betalingsonmacht voor de betaling van het griffierecht afgewezen.
Appellanten hebben in verzet te kennen gegeven dat in de zaak die thans voorligt exact dezelfde problematiek speelt als in de zaken waarin de Raad uitspraak heeft gedaan op
19 oktober 2018, onder meer onder nummer ECLI:NL:CRVB:2018:3230. Appellanten benadrukken nogmaals dat de Raad bij de beoordeling van het verzoek om vrijstelling van het griffierecht geen correcte toepassing heeft gegeven aan zijn uitspraak van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282. In deze uitspraak gaat het over één rechtszoekende. De Raad is bij de beoordeling van het verzoek van appellanten om vrijstelling van het griffierecht ten onrechte uitgegaan van het gezamenlijk inkomen van appellanten en niet van de individuele situatie. Voorts zijn appellanten van mening dat op basis van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden er situaties zijn waarbij de persoonlijke omstandigheden zwaarder moeten wegen dan het 90% criterium.
De Raad merkt op dat anders dan appellanten stellen, in de uitspraak van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282. onder 3.5 is bepaald “ …..
Hierbij is de gezinssamenstelling van de rechtzoekende niet van belang en dient het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner te worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende”. Hieruit volgt dat de Raad bij de beoordeling van het verzoek om vrijstelling van het griffierecht terecht is uitgegaan van het gezamenlijk inkomen van appellanten. De Raad ziet in wat appellanten in de onderhavige zaak hebben aangevoerd geen grond om tot een ander oordeel te komen dan in zijn uitspraak van 19 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3230. De Raad verwijst voor het overige naar de inhoud van deze uitspraak.
Tot slot wijst de Raad nog op zijn uitspraak van 20 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:510, waarin in essentie een vergelijkbaar oordeel is gegeven.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2019.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) E.D. de Jong

OS