Appellant ontving een WAO-uitkering die door het UWV werd herzien van 80-100% naar 25-35% arbeidsongeschiktheid, met vaststelling van belastbaarheid via de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Na ziekmelding in september 2016 en medisch onderzoek op 11 november 2016, stelde het UWV vast dat appellant weer geschikt was om ten minste één WAO-functie te verrichten en beëindigde het het ziekengeld.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen werden onderschat, met een beroep op het EVRM-beginsel van wapengelijkheid. De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep oordeelden echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief lichamelijk en psychisch onderzoek, en dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunten met medische stukken te onderbouwen.
De Raad bevestigde dat er geen sprake was van een ongelijke procespositie en dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat appellant per 11 november 2016 arbeidsbekwaam was. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het besluit van het UWV om het ziekengeld te beëindigen.