Uitspraak
18.1192 PW-PV
BESLISSING
(bestreden besluit), heeft het college het herzieningsverzoek afgewezen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.
Centrale Raad van Beroep
Het college van burgemeester en wethouders van Huizen heeft bij besluit van 12 september 2016 de bijstand van appellant en zijn echtgenote herzien en een bedrag van €6.639,33 teruggevorderd wegens het niet melden van het inwonen van hun zoon en de detentie van appellant. Appellant verzocht op 22 december 2016 om herziening van dit besluit, stellende dat het college de bijstandsnorm onjuist had vastgesteld en in strijd had gehandeld met de Toeslagenverordening.
Het college wees het herzieningsverzoek bij besluit van 1 maart 2017 af, wat door de rechtbank Midden-Nederland op 31 januari 2018 werd bevestigd. In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank ten onrechte het besluit niet als een eerste besluit had getoetst, maar deze beroepsgrond werd verworpen.
De Raad bevestigt dat het college bevoegd is om een herzieningsverzoek te beperken tot de vraag of er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Aangezien appellant geen nieuwe feiten aanvoerde en zijn argumenten eerder hadden kunnen worden ingebracht, was afwijzing gerechtvaardigd. Ook is geen sprake van evident onredelijke besluitvorming. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van het besluit tot terugvordering van bijstand wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.