ECLI:NL:CRVB:2019:4265
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verhoging WAO-uitkering wegens ontbreken psychische beperkingen voor 2009
Appellant, werkzaam als machinebediende, ontving sinds 1987 een WAO-uitkering vanwege rug- en heupklachten. Verzoeken tot verhoging van zijn uitkering werden herhaaldelijk afgewezen, mede omdat het UWV geen aanwijzingen vond voor psychische beperkingen vóór 2009.
Na een CVA in 2001 en diverse medische rapportages, waaronder een rapport van een psychiater uit 2011, stelde appellant dat hij al sinds 1986 psychische klachten had die tot beperkingen leidden. Het UWV en verzekeringsartsen oordeelden echter dat deze informatie onvoldoende was om de uitkering te herzien.
De rechtbank vernietigde het eerste bestreden besluit wegens procedurele onzorgvuldigheid, maar wees het beroep tegen het tweede besluit af. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze afwijzing, oordeelt dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die een herziening rechtvaardigen en stelt vast dat de redelijke termijn in de procedure met ongeveer negen maanden is overschreden, waarvoor de Staat een schadevergoeding moet betalen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot verhoging van de WAO-uitkering en veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.