Uitspraak
19.3100 WUBO, 19/3101 WUV
burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Centrale Raad van Beroep
Appellant, erkend als vervolgde op grond van de Wuv, verzocht om een periodieke uitkering vanwege psychische klachten die verband houden met vervolging, maar deze werd afgewezen omdat geen sprake was van verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten. De Raad baseerde zich op medische adviezen die matige beperkingen vaststelden, maar onvoldoende voor toekenning.
Daarnaast vroeg appellant toeslagen en voorzieningen op grond van de Wubo met terugwerkende kracht tot 2001, wat werd afgewezen omdat invaliditeit pas vanaf 2018 werd erkend en het beleid terugwerkende kracht beperkt tot drie maanden na aanvraagdatum. De Raad oordeelde dat het beleid correct was toegepast en dat geen bijzondere omstandigheden tot afwijking leidden.
Het beroep is ongegrond verklaard en de bestreden besluiten blijven in stand. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet toekennen van een periodieke uitkering en de beperkte terugwerkende kracht van toeslagen en voorzieningen is ongegrond verklaard.