ECLI:NL:CRVB:2019:4184
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als aankomend filiaalmanager, meldde zich in 2007 ziek met psychische klachten. Na eerdere toekenning van een WGA-uitkering en latere beëindiging daarvan wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, meldde zij in 2015 een verslechtering van haar gezondheid per 1 maart 2014. Het UWV weigerde vervolgens een WIA-uitkering per 1 november 2014 op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van juni 2016 juist was vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische beperkingen waren onderschat en dat de verslechtering reeds per 1 november 2014 bestond.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de medische situatie zorgvuldig beoordeeld, waarbij werd vastgesteld dat de ernst van de psychische klachten vanaf 1 november 2014 niet zodanig was dat een hogere mate van arbeidsongeschiktheid gerechtvaardigd was. De Raad vond de medische en arbeidskundige onderbouwing overtuigend en oordeelde dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellante lagen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.