ECLI:NL:CRVB:2019:4159
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens ontbreken procesbelang bij maatwerkvoorziening pgb
Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van het college dat een maatwerkvoorziening Reguliere Individuele Begeleiding, klasse 3, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) verstrekte voor de periode 1 mei 2016 tot en met 31 juli 2016. Zij betwistte onder meer de ingangsdatum en de omvang van de voorziening. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat appellante alle begeleiding kon bekostigen uit het pgb en geen schade had onderbouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzoek om schadevergoeding geen procesbelang oplevert als het niet aannemelijk is dat schade is geleden. Appellante stelde in hoger beroep dat zij meer begeleiding nodig had dan het toegekende pgb en dat het advies van een onafhankelijk medisch deskundige dit onderschreef. Tevens voerde zij aan dat haar verzoek om uitstel van de hoorzitting onterecht was afgewezen.
De Raad oordeelde dat het verzoek om uitstel terecht was afgewezen gezien eerdere uitstelverzoeken en dat appellante voldoende gelegenheid had gehad haar standpunt toe te lichten. Verder concludeerde de Raad dat appellante onvoldoende had onderbouwd dat zij naast de vergoede begeleiding extra begeleiding had ingekocht. Het medisch advies betrof bovendien een andere periode dan de periode in geschil. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens het ontbreken van procesbelang.