ECLI:NL:CRVB:2019:4157
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot terugwerkende draagkrachtvaststelling studieschuld
Appellant had bij de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een aanvraag ingediend voor een verlaging van zijn afbetalingsverplichting van zijn studieschuld, met terugwerkende kracht vanaf mei 2017. De minister had echter de draagkracht vastgesteld per december 2017 en het bezwaar tegen deze ingangsdatum ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat op grond van artikel 10a.7 van de Wet studiefinanciering 2000 geen draagkrachtmeting mogelijk is voor reeds vervallen termijnen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden om de draagkrachtvaststelling terug te laten gaan tot mei 2017, omdat hij niet eerder op de hoogte was van de mogelijkheid tot draagkrachtmeting en het maandbedrag niet kon betalen. De Raad oordeelde dat deze gronden grotendeels een herhaling van eerdere argumenten waren en onderschreef de overwegingen van de rechtbank.
De Raad benadrukte dat studerenden voldoende worden geïnformeerd over de mogelijkheid tot draagkrachtvaststelling en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij eerder dan november 2017 op de hoogte kon zijn. De wetgever heeft expliciet gekozen geen terugwerkende kracht toe te staan, en de rechter mag de billijkheid van de wet niet toetsen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de terugwerkende draagkrachtvaststelling bevestigd.